Logo Universiteit Utrecht

Van Onderzoek naar Schrijfadvies

Verwijzingen

Direct naar…
Knop advies Knop toelichting Knop literatuurlijst

 

1. Inleiding: waar gaat het om?

Wanneer in een tekst een persoon wordt genoemd, komt deze vaak in meerdere zinnen aan bod.  In dat geval kun je de naam van de persoon herhalen, of verwijzen met een persoonlijk voornaamwoord, zoals hij, ze, zij, hem, haar, hen of hun.

Vergelijk:

(1) Henk zocht naar een cadeautje. Hiervoor moest Henk hard werken, want Henk werd tegengehouden door de harde wind.
(2) Henk zocht naar een cadeautje. Hiervoor moest hij hard werken, want hij werd tegengehouden door de harde wind.

In (2) voorkomen de verwijzingen dat er herhaling optreedt. Bovendien leggen ze een duidelijke verbinding naar de voorgaande zin. Verwijswoorden komen in natuurlijke taal dan ook vaak voor.

Herhalingen van de naam zoals in (1) komen in natuurlijke taal niet voor en worden dus niet verwacht door de lezer. Hierdoor kunnen ze voor vertraging zorgen tijdens het lezen. In de onderstaande adviezen wordt daarom aangegeven wanneer een verwijswoord nodig is voor goed leesbare zin.

2. Wat is het advies?

  • Herhaal altijd de naam als een verwijzing dubbelzinnig is, ook als hij eenduidig lijkt door de context. Dit gebeurt bijvoorbeeld als de tekst gaat over twee personen van hetzelfde geslacht. De overige adviezen gelden dan niet meer.
kruisje  Voor Martin moest Henk hard zoeken naar een cadeau. Hij wordt namelijk al erg verwend door zijn ouders.
vinkje  Voor Martin moest Henk hard zoeken naar een cadeau. Martin wordt namelijk al erg verwend door zijn ouders.
  • Gebruik een verwijswoord als de persoon (in zijn eentje) het onderwerp is, en ook het onderwerp van de voorgaande zin was.*
kruisje In alle haast zocht Henk naar een cadeautje. Hiervoor moest Henk de hele stad door.
vinkje In alle haast zocht Henk naar een cadeautje. Hiervoor moest hij de hele stad door.
  • Gebruik een verwijswoord als de persoon (in zijn eentje) het onderwerp is, en in de voorgaande zin vooraan stond.*
kruisje Voor Anneke moest Henk hard zoeken naar een cadeau. Anneke wordt namelijk al erg verwend door haar ouders.
vinkje Voor Anneke moest Henk hard zoeken naar een cadeau. Zij wordt namelijk al erg verwend door haar ouders.

* Bij deze adviezen is het niet van belang op welke plek de verwijzing zelf staat en of de zin met de verwijzing actief of passief is. Het is wel belangrijk dat de persoon naar wie je verwijst apart werd genoemd, en dus niet tegelijk met een ander personage. 

kruisje Henk en Anneke deden de afwas terwijl hij praatte over politiek.
vinkje Henk en Anneke deden de afwas terwijl Henk praatte over politiek.
vinkje Henk deed de afwas terwijl hij praatte over politiek.
  • Staat jouw situatie niet tussen de bovenstaande adviezen? Herhaal dan de naam.

3. Toelichting: wat is er onderzocht?

 

Icoon verwerking

Verwerking

Er zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd naar de effecten van verwijswoorden op leessnelheid. Het doel was om de situaties te definiëren waarin het herhalen van een naam verstorend werkt voor de lezer, en het dus beter is om een verwijswoord te gebruiken. Alle onderzoeken hadden ongeveer dezelfde opzet: proefpersonen moesten een combinatie van twee zinnen lezen: eerst een zin met een antecedent (de persoon naar wie het verwijswoord verwijst), en daarna een zin met een verwijzing (persoonlijk voornaamwoord) of met een herhaalde naam.

Het eerste onderzoek stamt uit 1993 en testte de effecten van grammaticale rol (onderwerp/lijdend voorwerp) en de plaats in de zin van verwijzing of antecedent. Aan ieder experiment namen 12 tot 24 studenten deel. In sommige gevallen lazen zij een herhaling van de naam langzamer als deze het onderwerp was van de zin.[1] Waar de naam/verwijzing stond in de zin maakte niet uit. De plaats van het antecedent had wel invloed: er trad vertraging op bij een herhaalde naam als het antecedent het onderwerp was van de voorgaande zin, maar ook als het antecedent vooraan stond en niet het onderwerp was. De situaties zijn geïllustreerd in resp. zin (3) en (4). Rood gemarkeerde varianten werden trager gelezen.

(3) Susan besloot Fred een hamster te geven. Naar zijn/Freds idee had ze/Susan dit beter niet kunnen doen. 
(4) Susan besloot Fred een hamster te geven. Naar zijn idee had ze dit beter niet kunnen doen. Hij/Fred heeft geen plek voor een hamsterkooi.

In een vervolgonderzoek uit 1995 werd gekeken of dezelfde regels gelden voor passieve zinnen. Het idee was dat het effect in passieve zinnen misschien anders zou zijn omdat het onderwerp daarin niet de handeling uitvoert, maar hem ondergaat. Uit de experimenten, waaraan steeds 24 of 48 studenten deelnamen, bleek dat het niet uitmaakt wie de handeling uitvoert of ondergaat.[2] In zinnen als (5) werd Susan, het onderwerp van de passieve zin, wel trager gelezen dan een verwijzing, terwijl Fred, de naam van de persoon die de handeling uitvoert, sneller werd gelezen dan een verwijzing. Dezelfde effecten lijken zich dus voor te doen in passieve zinnen als in actieve zinnen.

(5) Susan besloot Fred een hamster te geven. Ze/Susan werd uitgebreid door hem/Fred uitgehoord over de verzorging.

Een andere situatie ontstaat wanneer er meerdere personen in één woordgroep opduiken, zoals in (6).

(6) Henk en Anneke deden de afwas.

Hoe zit het nu als je wilt terugverwijzen naar Henk? In 2004 werd deze vraag onderzocht door verwijzingen naar zinnen zoals (6) te vergelijken met verwijzingen naar zinnen met slechts één persoon (Henk deed de afwas, etc.). Uit het experiment (onder 16 studenten) bleek opnieuw dat een verwijswoord sneller gelezen wordt dan een herhaalde naam als er in het antecedent slechts één persoon genoemd wordt. Bij zinnen zoals (7) werkte het echter omgekeerd: een herhaalde naam werd sneller gelezen dan een verwijswoord.[3]

(7) Henk en Anneke deden de afwas terwijl hij/Henk praatte over politiek.

Tot nu toe hebben we het alleen nog gehad over de leessnelheid van het onderwerp. Vertragingen op het lijdend voorwerp zijn ook onderzocht, maar zonder eenduidig resultaat. In 1998 concludeerden onderzoekers op basis van meerdere experimenten dat een herhaalde naam als lijdend voorwerp alleen langzamer gelezen wordt als hij in de voorgaande zin ook het lijdend voorwerp was.[4] Aanvullende experimenten uit de eerder genoemde onderzoeken spreken dit tegen: er zou in zo’n geval juist geen vertraging optreden,[1] en wel als de herhaalde naam in de voorgaande zin het onderwerp was. [2] De resultaten zijn echter niet goed vergelijkbaar door verschillen tussen de geteste zinnen. Over leesvertraging bij het lijdend voorwerp kunnen we daardoor geen eenduidige uitspraak doen.

Naast enkelvoudige verwijswoorden (hij/zij) bestaan er ook meervoudige verwijswoorden (zij). Onderzoek naar dit type verwijzing is vooral gericht op de vraag of verwijzing in het meervoud wellicht makkelijker is dan in het enkelvoud. Dit heeft te maken met de vraag of er in het meervoud altijd een antecedent moet zijn. Deze vraag wordt geïllustreerd door (8) en (9).

(8) De maaltijd die ik kreeg van het vliegtuigpersoneel was beter dan normaal. Sterker nog, ze serveerden het eten net als in een restaurant.
(9) De maaltijd die ik kreeg in het vliegtuig was beter dan normaal. Sterker nog, ze serveerden het eten net als in een restaurant.

Ze in (9) verwijst niet naar een eerdergenoemd persoon, maar naar algemene personages die in een dergelijke situatie aanwezig zijn (hier: vliegtuigpersoneel). In twee onderzoeken uit 2008 werd gekeken of zo’n verwijzing problemen veroorzaakt en hoe deze zich verhoudt tot een enkelvoudige verwijzing. Dit werd gedaan via eye-tracking (het meten van oogbewegingen) en ERP-metingen (het meten van hersenactiviteit).

Uit beide onderzoeken bleek dat meervoudige verwijzingen niet per se een antecedent nodig hebben. Zinnen als in (9) werden dus even gemakkelijk verwerkt als die in (8).[5,6] Daarnaast werd voorzichtig geconcludeerd dat meervoudige verwijswoorden in het algemeen iets makkelijker zijn dan enkelvoudige. Er bleek namelijk dat lezers niet direct op zoek gaan naar een antecedent bij een meervoudig verwijswoord. Het verwijswoord is hierdoor minder afleidend tijdens het lezen. Er is echter een beperkte variatie aan zinnen getest, waardoor het nog onbekend is in welke situaties dit verschil precies optreedt.

De tot nu toe besproken onderzoeken werden allemaal uitgevoerd onder studenten. Hierdoor blijft een belangrijke vraag bestaan: hoe beïnvloedt leesvaardigheid de verwerking van verwijzingen? In een onderzoek uit 1988 werd dit getest door 32 basisscholieren – 16 goede en 16 zwakke lezers – zinnen zoals (10) voor te leggen.

(10) John kocht nieuwe kleren en Mary ging naar de dierentuin.

De kinderen moesten (onder tijdsdruk) een vraag beantwoorden over een van de personen uit de zin. In die vraag stond een herhaalde naam of een verwijswoord (Ging hij/John naar de dierentuin?). Ze zin bleef zichtbaar tijdens het beantwoorden van de vraag. Zwakke lezers bleken beduidend meer fouten te maken dan beter lezende kinderen als er een verwijzing in de vraag stond,[7] terwijl ze langer deden over het geven van een antwoord.

Dit resultaat kan betekenen dat lezers met een lagere leesvaardigheid meer moeite hebben met het verwerken van verwijswoorden dan goede lezers. In dat geval zouden voor zwakkere lezers de voordelen van verwijzingen kunnen wegvallen tegen de nadelen. Dit ene onderzoek is echter slecht te vergelijken met de overige onderzoeken, mede door de onnatuurlijke zinnen en het ontbreken van leestijden. Er bestaat dus nog geen uitsluitsel over de invloed van leesvaardigheid.

 

Icoon begrip

Begrip

In de inleiding werd al aangehaald dat verwijzingen de verbanden tussen zinnen expliciet maken. Maar heeft dit ook een positieve invloed op tekstbegrip? Deze vraag werd in 2004 onderzocht, door 57 Amerikaanse studenten twee teksten te laten lezen: een met herhaalde namen, en een met verwijzingen. Na iedere tekst moesten de studenten feitelijke vragen beantwoorden (oppervlakkig begrip) en een essay schrijven (dieper begrip). Ook maakten ze een leesvaardigheidstest.

Er bleek dat alleen de beste lezers onder de studenten last hadden van de herhaalde namen.[8] Zij maakten de feitelijke vragen beter wanneer er verwijzingen in de tekst stonden dan wanneer de namen herhaald waren. Voor hun diepere begrip van de tekst maakte de tekstversie niet uit. De scores van de middelmatige en slechtere lezers werden helemaal niet beïnvloed door de tekstversie.

Helaas wordt het ‘objectieve’ leesniveau van de studenten niet gerapporteerd in het betreffende artikel. Door de beperkte gegevens naast een technisch rapport over de gebruikte leesvaardigheidstest te leggen, konden we echter concluderen dat de goede lezers een hoog niveau hadden: dat van een gemiddelde tweedejaars student of beter.[9] De slechtere lezers scoorden lager dan een gemiddelde derdeklasser op de middelbare school, en de middelmatige lezers zaten er tussenin.* ‘Middelmatig’ en ‘slechter’ zijn hiermee relatief. Op basis van dit artikel kunnen we dus wel uitspraken doen over hele sterke lezers, maar niet over hele zwakke.

* We konden geen schoolniveaus onderscheiden (vmbo/havo/vwo) omdat deze in Amerika niet bestaan.

Literatuur

Gordon, P. C., Grosz, B. J., & Gilliom, L. A. (1993). Pronouns, names, and the centering of attention in discourse. Cognitive science17(3), 311-347.

Gordon, P. C., & Chan, D. (1995). Pronouns, passives, and discourse coherence. Journal of Memory and Language34(2), 216-231.

Gordon, P. C., Camblin, C. C., & Swaab, T. Y. (2004). On-line measures of coreferential processing. In Carreiras, M., Clifton, C. Jr. (Red.), The on-line study of sentence comprehension: Eyetracking, ERP, and beyond (pp. 139-150). Hove, UK: Psychology Press.

Chambers, C. G., & Smyth, R. (1998). Structural parallelism and discourse coherence: A test of centering theory. Journal of Memory and Language39(4), 593-608.

Sanford, A. J., Filik, R., Emmott, C., & Morrow, L. (2008). They’re digging up the road again: The processing cost of Institutional They. The Quarterly Journal of Experimental Psychology61(3), 372-380.

Filik, R., Sanford, A. J., & Leuthold, H. (2008). Processing pronouns without antecedents: Evidence from event-related brain potentials. Journal of Cognitive Neuroscience20(7), 1315-1326.

Murray, W. S., & Kennedy, A. (1988). Spatial coding in the processing of anaphor by good and poor readers: Evidence from eye movement analyses. The Quarterly Journal of Experimental Psychology40(4), 693-718.

Shapiro, A., & Milkes, A. (2004). Skilled readers make better use of anaphora: A study of the repeated-name penalty on text comprehension. Electronic Journal of Research in Educational Psychology2(2), 161-180.

Brown, J. I., Fishco, V. V., & Hanna, G. S. (1993). Nelson-Denny Reading Test: Technical Report, Forms G & H. Itasca, IL: Riverside Publishing.